Pluizige Kontjes

Nienke Krook Geschreven door Nienke Krook. Foto door: Nienke Krook

Dierparken heb ik altijd leuk gevonden, maar Australische parken hebben nèt dat beetje extra. Kun je bij ons in de kinderboerderij alleen in aanraking komen met een handje stuk geaaide konijnen, manke geiten en een kapotte pony, hier worden de slangen, hagedissen, roofvogels en andere exotische beesten meteen bij binnenkomst onder je neus gestoken. Bijna alles is te aaien, te voeren, om je heen te hangen of op je arm te zetten en je kunt ook bijna overal (tegen een kleine vergoeding) mee op de foto.

Van kleins af aan is mijn lievelingsdier al een koala, dus het feit dat ik nu bijna een maand in Australië rondloop zonder een fatsoenlijk grijs pluizig kontje gezien te hebben, maakt dat ik nauwelijks nog berichten naar huis durf te sturen van schaamte. Maar vandaag ging het gebeuren.

Door afscheiding met de rest van de wereld 100 miljoen jaar geleden, zijn er ontzettend veel diersoorten in Australië te vinden die je nergens anders in de wereld zult tegenkomen. Nou moet ik toegeven dat een Yellow-Footed Rock Wallaby op de Drunentse Hei ook een beetje raar gezicht zou zijn, maar een Hairy-Nosed Wombat had aan de andere kant Noord-Brabant toch flink wat kunnen opleuken.

Bij het zien van de dieren vergeet je al snel dat je hier met wilde beesten te maken hebt. In de 'Wombat World' lopen de gezellig uitziende, iets uit de kluiten gewassen bruine cavia's op een grasveldje rond, maar een bordje aan het hek doet de bezoeker de verleiding even de dieren te aaien toch weerstaan. Of je moet graag mes en vork met je tenen willen leren hanteren.

Toen ik erop begon te letten, bleken er trouwens bar weinig beesten te zijn die je niet bijten, krabben, bespugen, vergiftigen, verlammen, op één been doen hinkelen, verblinden, met huid en haar opvreten of je op een andere wijze een minder goede dag bezorgen. Er is zelfs een spin die het er voor over heeft zich tijdenlang onder de rand van een toiletpot te verstoppen om je te grazen te nemen. Gezellige jongens dus.

Van al het gespuis dat hier verzameld was, bleek de Tasmaanse duivel, ondanks zijn naam, nog het meest onschuldig te zijn: bijna blind zijnde, schijnt hij alleen een vreselijke stank uit te stoten als hij geïrriteerd is. Hier was ik niet echt van onder de indruk, dit doen een aantal mensen uit mijn kennissenkring ook. 

Aangekomen bij de kangoeroes en de wallaby's, die op een soort kinderboerderij losliepen, was ik blij een stel dieren gevonden te hebben die me niet gelijk zouden verminken. Ze keken met aan met grote, lieve, halfslaperige ogen en knipperden een paar keer verleidelijk met hun lange wimpers van achter het hek. Het leek alsof ze me uitnodigden om gezellig even lang te komen, omdat ze graag een aaitje wilden of een goed gesprek.

Hun vriendelijkheid zal wellicht iets te maken hebben gehad met het bakje voer dat ik even daarvoor voor een dollar voor ze gekocht had, maar dat mocht de pret niet drukken. Ik liep langs een bord met daarop de magische woorden 'Kangaroo Country' en liet de beesten met een knik weten dat ik binnenkwam. Te laat besefte ik dat er iets grondig mis was.

Ik had nog geen stap door het hek gezet, of ik werd omsingeld door een stel agressief kijkende buidelbeesten. Er was geen spoor meer te bekennen van de knuffelige dieren van daarnet.

"Oy, mate, pass over that food. You're in our territory now!", leek eentje tegen me te zeggen. Een andere reageerde met: "Yeah Sheila, don't play tricks on us, or i'll shove an echidna up your ---", maar voor hij zijn zin kon afmaken was ik al gretig handen muesli aan het uitdelen. De doodshoofdaapjes in de Apenheul mogen dan je vingers willen breken voor een nootje, deze gasten zijn nog beter getraind en doen niet onder voor een gemiddelde kickbokser. Je kunt ze dus maar beter te vriend houden.

Op het moment dat ik ze hoorde overleggen hoe ze het best mijn tas afhandig konden maken, vond ik het genoeg geweest. Natuur moet wel leuk blijven. Snel verdween ik de kangaroe-pit uit. Toen ik omkeek zag ik er nog net één stiekem zijn middelvinger naar me opsteken en daarna een high-five aan zijn maten uitdelen. Het was ze weer gelukt. 

Mijn laatste hoop op het vinden van een leuke, vriendelijke diersoort, was dus compleet gevestigd op de koala's. Bij de 'Koala Sanctuary' luisterde ik ademloos naar het verhaal van een oppasser, waarin hij uitlegde dat de buideldieren naast eten vooral erg goed in slapen zijn, iets wat ze 18/19 uur per etmaal doen. Het schijnt dat koala's net zo hard kunnen rennen als konijnen, maar het schijnt dan ook weer dat ze daar gewoon het nut niet van inzien. 

Aan het jong (de Joey) hebben de koala's nog het meeste werk. Na slechts 5 weken komt de kale, blinde boon naar buiten en brengt het de komende zes maanden in de buidel van de moeder door. Daar krijgt het naast melk een - te ranzig voor woorden - maaltijd van darmbrij te eten, met daarin bacteriën die de vertering van de Eucalyptusbladen verbeterd. Ik heb koala's gesproken die nog liever Yakult drinken dan die rotzooi, zo erg schijnt het te zijn. 

Mijn eerste één-op-één ontmoeting met een echte koala bleek al snel een ontroerend moment te worden. Je weet dat het een wild beest is met scherpe klauwen, maar toch... Zelfs als de oppasser je vertelt dat koala's niet bijster slim en vaak drager van de seksueel overdraagbare aandoening Chlamydia zijn, wil je niets liever dan het beest dicht tegen je aan drukken en knuffelen. Moederinstinct, gok ik.

Per dag mogen de koala's niet meer dan dertig minuten vastgehouden worden en de oppasser gaf mij dan ook op strenge toon instructies. Voeten precies op de stip, handen op buikhoogte als een zitje houden, stil staan en niet bewegen. Ademen alleen wanneer strikt noodzakelijk. Ik had het idee dat ik bezig was een nucleaire kernbom te ontmantelen, maar mijn gevoel voor euforie oversteeg mijn zin om de oppasser met wat lichte drang door een trechter een kilootje eucalyptusbladeren te voeren. De Jack Bauer in mij hield zich gelukkig rustig.

Na een kwartiertje zag ik het resultaat op glanzend fotopapier terug en het was moeilijk mijn emoties in bedwang te houden. De dames die achter mij in de rij stonden keken met jaloerse blikken naar mijn stralend opgewekte koala die recht in de lens keek, terwijl die van hen er overduidelijk genoeg van had en zich als een klein kind bezig leek los te wurmen uit de houtgreep van een vervelende tante.

Trots als een kind heb ik de rest van de dag mijn foto aan iedereen laten zien. Nu kan ik ten minste echt zeggen dat ik in Australië ben geweest. 

Vraag van de week: Voor welke vreemde diersoort is jouw hart sneller gaan kloppen?