Annapurna Sanctuary Trek

Als je de ruim twee weken durende Annapurna Circuit Trek misschien iets te hoog gegrepen vindt, kun je ervoor kiezen de kortere, maar zeker niet minder mooie, Sanctuary Trek te lopen. 

De basis van deze route kun je in 8 dagen lopen en met een eventuele uitbreiding naar Poon Hill, kun je in 10-11 dagen de tocht volbrengen. Het is niet zoals bij de Circuit Trek een rondgang, maar je klimt naar het Annapurna Base Camp (ABC) op 4130  meter en daalt vervolgens een stuk langs dezelfde route weer naar beneden. Aan het eind loop je wel nog een stuk een nieuwe route (je kunt er voor kiezen te beginnen of te eindigen in de plaatsen Naya Pul en Phedi).

De tocht maak  je vanaf Pokhara, van waar je een taxi of bus neemt naar het startpunt van de route. Aan het eind van de route neem je dus ook weer de taxi of bus terug naar Pokhara. De meeste hotels zullen je bagage willen opbergen voor je in de tijd dat je met de trek bezig bent.

Hieronder volgen delen uit de dagboeken van Nienke en haar vriend Nick:

Algemene Ervaring

Op de dag van vertrek bleek onze drager Rishi naast pas 22, een kop kleiner kleiner dan onze rugzak te zijn. Hij keek eerst naar ons omhoog, toen naar de tas en we voelden ons gelijk schuldig toen we de wat angstige blik in zijn ogen zagen. Het feit dat wij wandelschoenen droegen waarmee we waarschijnlijk rechtop tegen een bergwand omhoog zouden kunnen lopen en hij een paar afgetrapte gympen en een spijkerbroek droeg, maakte het moment niet minder ongemakkelijk. Het leek me niet onwaarschijnlijk dat deze arme jongen zijn balans zou verliezen, met bepakking en al in een ravijn zou kletteren en dat we genadeloos aan de natuur zouden worden overgeleverd.    De eerste dag bleek dat we onze kleine vriend een beetje onderschat hadden. Met gebrekkig Engels legde hij uit dat hij al sinds zijn 17e tassen van toeristen de berg op sjouwt en we kwamen er ook al snel achter dat hij voor bepaalde afstanden toch een iets andere reistijd had dan wij fysiek aankonden.  

Als hij aangaf dat een bepaald stuk lopen een kwartier zou duren, kwamen we veertig minuten later aan. Als hij zei dat de weg 'a little bit up' zou lopen, snakten we bovenaan de berg naar zuurstof. En zo betekende 'we're almost there' standaard dat we eerst nog een slingerende touwbrug over gingen, 536 stenen trappen moesten trotseren, een karavaan ezels met bepakking langs zouden laten, dan een dal in gingen, vervolgens een woest stromende rivier over zouden steken en dat we daarna het dal weer uit moesten lopen, tot we meer dan 400 meter in hoogte geklommen waren. En dan waren we in 'Lower Ghorepani', terwijl ons guesthouse in 'Upper Ghorepani' lag, natuurlijk.

Dagelijks liepen we tussen de vier en zeven uur, meestal een stukje uit elkaar omdat we allemaal een ander tempo hadden. Hoewel de uitzichten soms adembenemend waren (van groene heuvels met terrassen, via zandwegen, kronkelpaden en over wankele (touw)bruggen dwars door de Rodondendron bossen, met in de achtergrond besneeuwde bergtoppen en vrolijk gekleurde gebedsvlaggen, tot lopend door de gletsjergebieden, over ijsblauwe rivieren en ploegend door de sneeuw), was het elke dag een ware uitputtingsslag om van het ene kleine bergdorpje naar het volgende te gaan.

Maar als we dan tegen het eind van de middag badend in het zweet en hongerig aan kwamen strompelen, dan hadden we wel elke keer het gevoel dat we een mijlpaal verzet hadden. Zeker op dagen dat we wel tot 1400 meter gestegen bleken.

Dag 1: (Pokhara naar) Naya Pul naar Hille

Een privé minitaxi bracht ons -al slingerend door de heuvels en haarspeldbochten, met afgronden 'too close for comfort'- naar de officiële vertreklocatie. We aten wat als lunch en begonnen, gelijk over een duistere hangbrug, met de tocht. 
De eerste dag eindigden we lichtelijk vermoeid en onwennig door al dit gewandel en geklauter, in het plaatsje Hille, gelegen op 1400 meter hoogte. Hille, net als alle andere plaatsjes in het eerste deel van deze tocht, is een dorp met slechts een paar hutjes en guesthouses dat wordt bewoond door niet meer dan twintig Nepalezen. 

Waar je verblijft in een guesthouse, wordt ook verwacht dat je eet in hun ‘restaurant’. Voor ons noedels met ei. 

We sliepen redelijk goed, maar bedachten ons later wel dat het misschien een slim idee was geweest om oordopjes mee te nemen. De hutjes zijn van spaanplaat en de buurman snurkt. Hard. 

Dag 2: Hille naar Ghorepani

De eerste dag was dan nog een beetje onwennig, met zo’n tas op je rug door de hitte achter een kleine Nepalees aansjouwen waarvan je alleen kunt hopen dat hij de goede kant op gaat. De tweede dag daarentegen, was gewoon een regelrechte uitputtingsslag! We klommen naar 2800 meter, een totaal van 1400 meter omhoog. Maar in Nepal betekent dat niet een geleidelijke wandeling met een constante hellingshoek. Het was zelfs zo dat wanneer we een stukje naar beneden moesten, we gelijk begonnen te rekenen: dat moeten we dus óók weer omhoog! 

Dag 3: Ghorepani naar Poon Hill en vervolgens naar Tadapani

Onze gekozen route schreef officieel tien dagen voor, in plaats van de gebruikelijke acht, omdat we een twee dagen omweg hadden gekozen via Poon Hill, een zij-top van 3200 meter met mooi uitzicht op de hele bergtoppenreeks. Ik weet niet of iemand wel eens een omweg van 2 dagen heeft gekozen, maar het voelt, als je moe bent, toch echt als een van de meest vreemde beslissingen in je leven. Het idee dat je ergens GISTEREN al had kunnen zijn, terwijl je vandaag én morgen nog moet hijgen als een malle om naar uiteindelijk dezelfde plek te geraken, dat past toch niet echt in onze levensovertuiging.

De reden om een tweedaagse omweg te maken was, om ’s ochtends nog vóór zonsopgang op een heuvel van 3200 meter het begin van de dag te aanschouwen. Leuk idee... Ik (Nick) geloof dat ik die ochtend alles bij elkaar gescholden en gevloekt heb. Pikkedonker, met een onhandig lampje, klauteren via te smalle weggetjes met een slordige 3000 traptreden, terwijl iedereen om je heen tien keer fitter lijkt dan jezelf! Ik heb me werkelijk nog nooit zo moe gevoeld. Sta je even een halve seconde stil, zodat je hoofd niet uit elkaar knalt van de hectoliters bloed die je hart met een snelheid van 240 door je aderen probeert te pompen, komt er weer zo’n veel te enthousiast groepje Koreanen en Japanners met van die Nordic Walking stokken voorbij gemarcheerd! En een lol dat ze hebben!

Eerlijkheid gebied te zeggen dat het uitzicht op Poon Hill, wel erg mooi was. Tenminste, als er geen zestig Koreanen voor je neus gingen staan. Gelukkig waren die van de generatie die allemaal net de 1.50 meter aantikken, dus ik kon er wel overheen kijken. De uitkijkpost was deze ochtend veranderd in een commandocentrum van telelenzen, tripods, verrekijkers en ander spul waar je de NASA nog blij mee kon maken.

Enfin, de afdaling ging rennend, mede doordat ik gewoon honger kreeg, want ontbijt zat nog niet in mijn buik.

Doordat later bleek dat er naast Poon Hill een tweede heuvel was waar we overheen moesten, voelde mijn ochtend-uitstapje als een beetje overbodig. Ik noem het nu al een uitstapje, zo snel vergeet je de hel die je af en toe moet doorstaan. Door het heldere weer konden we vanaf deze nieuw beklommen heuvel dezelfde bergenreeks bekijken, in iets prettigere omstandigheden en met minder toeristen om ons heen.

Voorbij Gorepani en Poon Hill splitsten een hoop mensen van de route af, zij deden een kortere trek van slechts drie á vier dagen en dit was voor hun het hoogste punt. Er werd hier en daar wat gevraagd aan elkaar wat iedereen ging doen en als je antwoordde dat je nog naar ABC ging (Annapurna Base Camp), dan leidde dat meestal wel tot een blik van bewondering. Kennelijk stelde het dus toch echt wel iets voor, wat wij nog van plan waren.

Dag 4: Tadapani naar Chhomrong

Dit deel van de tocht loopt door prachtige bossen, gevuld met de Rhododendron, de nationale bloem van Nepal.

Chhomrong is de “laatste permanente nederzetting” tot aan Base Camp. Tijdens het zware regen- en sneeuwseizoen zijn alle dorpjes voorbij Chhomrong namelijk onbereikbaar en onbewoond. Dit soort trekkingtochten zijn namelijk alleen te doen van november tot en met mei. Wij zaten zo eind maart aan het einde van het droge seizoen, waardoor de lucht over het algemeen wat stoffiger was en de uitzichten minder helder. Maar er waren ook minder toeristen en dat maakte het een stuk rustiger.

In Chhomrong werden we geadviseerd om de laatste overbodige spullen achter te laten. Immers, douchen was na dit punt niet meer echt mogelijk en het lopen zou zwaarder worden. Het zuurstofpercentage op 4000 meter hoogte, bedroeg slechts 75% ten opzichte van het percentage op zeeniveau en vanaf 2500 meter was er al kans op hoogteziekte. Het guesthouse bood aan om onze spullen veilig te bewaren tot onze terugkeer, gepland voor vijf dagen later.

Dag 5: Chhomrong naar Dobhan

Boven verwachting hadden we de vijfde dag ontzettend goede benen, zoals dat zo mooi in het wielrennen wordt gezegd. Hoewel we al hadden besloten om een dag langer over de reis naar boven te doen, gingen we verassend ver omhoog vandaag. We klommen in totaal 900 meter tot aan het dorp Dobhan en waren daarmee weer op dezelfde hoogte als Poon Hill.

We maakten ons ook steeds minder druk om hoe we er uit zagen. Ik (Nick) had mezelf al een dikke week niet meer geschoren en ook m’n pot met haargel was achtergebleven in het laatste guesthouse. Want het enige wat je onderweg tegen kwam was een verlepte berggeit of een Nepalees clubje dragers die toch alleen maar naar de grond staarden, bang om van de berg af te pleuren met 50 kilo ongekookte noodles op hun rug. En voor onze gids hoefden we ons al helemaal niet op te fleuren, die liep zelf al zes dagen in één en hetzelfde kloffie.

Dag 6: Dobhan naar Deurali

We merkten dat het landschap sterke veranderingen onderging. De bergen werden minder groen, er kwamen meer kale rotsen en het water werd ook helderder. In een groot deel van het jaar lag hier sneeuw, maar de eeuwige sneeuwgrens was pas vanaf 4000 meter. Het water dat hier stroomde was dus smeltwater van de hoger gelegen gletsjers en van de toch wel frequente regenbuien. Het nadeel van deze route, die tussen de bergen voerde, was dat je dus gedurende een paar dagen geen vergezichten meer kreeg. We liepen namelijk via een geul, tussen de rotswanden in naar boven. Ander klein nadeel was natuurlijk het gevaar voor lawines.

Dag 7: Deurali naar Annapurna Base Camp (ABC)

Een berg oplopen is al zwaar, maar een berg met sneeuw geeft net weer even een nieuwe uitdaging. We hadden de 7e dag tijdens de eerste twee uur lopen al stiekem zo'n 554 meter geklommen. Eerst over een grote, snelstromende rivier met gletsjer water, lopend over enorme rotsen, langs wanden die kraakten (en waar een van de gidsen stralend over vertelde dat er in 2005 een lawine naar beneden is gekomen die een klimmer doodde en drie anderen verwondde), over nauwe richels tot aan het Machapuchare Base Camp op 3700 meter. We zaten daar uit te hijgen in het zonnetje, keken naar wilde geiten die in de verte een berg beklommen, genoten van het prachtige uitzicht en aten onze lunch. 

Tot dit punt had ik (Nienke) al een keer hardop geroepen of we de komende vakantie alsjeblieft gewoon met een busreis naar de Spaanse kust konden, maar op de een of andere manier had ik de kracht gevonden om nog even vol te houden. En toen kwam het laatste stuk. 

Alleen de laatste dag naar de top, vanaf de lunchpauze, bleek de dikke, warme kleding goed van pas te komen. Aanvankelijk was de lucht nog blauw en genoten we tijdens onze lunch van het uitzicht op een stel wandelende berggeiten aan de overkant van de geul. Maar slechts een half uur na vertrek uit Machhapuchhre Base Camp, trok de hele hemel dicht. Geen blauwe lucht meer, geen zicht op de toppen van de geul waar we al drie dagen doorheen liepen, geen richtpunt meer vóór ons, geen mensen meer achter ons. De bodem was inmiddels ook volledig bedekt met een dikke laag sneeuw, waar je bij een verkeerde stap tot je knieën of verder in kon wegzakken.

Hier kreeg ik (Nick) voor het eerst het gevoel van een echte expeditie, waarbij mensen sterk afhankelijk zijn van de weersomstandigheden en ze moeten vertrouwen op hun uitrusting. Op sommige momenten, als de wind eventjes ging liggen, dan heerste er een ontzettend confronterende stilte.

Halverwege zag ik (Nienke) het op een gegeven moment echt niet meer zitten, kwaad gooide ik mijn stokken door de lucht en liet me door Nick moed inspreken om niet op mijn gat te gaan zitten en wachten tot ik een sneeuwpop geworden was. Hij sleepte me mee (zelf ook kapot) en na drie (!) uur lopen trok de mist even weg en werd het einddoel, Annapurna Base Camp, eventjes zichtbaar. Even zo snel echter, namen de mist en de bewolking weer bezit van de ruimte en nu begon ook de neerslag te komen. Eerst nog alleen wat lichte regen, maar dit veranderde al snel in sneeuw en hagel en in combinatie met de steeds steviger wordende wind werd ons duidelijk dat we echt nog één keer moesten proberen aan te zetten om niet vlak voor het einde nog een lelijke storm over ons heen te krijgen.

Na de laatste beklimming (een heuvel waar we nog eens twintig minuten over deden om bovenaan te komen) zagen we ineens bekende gezichten... We kregen applaus van de mensen die al waren aangekomen en werden verwelkomd met knuffels en warme chocolademelk. Mij (Nienke) kon je op dat moment opvegen en de tranen rolden over mijn wangen, precies zoals je de helden in films altijd ziet doen nadat ze de wereld gered hebben en met een baby in hun armen uit een vulkaan stappen (een vergelijkbare situatie dacht ik zo).

Meer en meer mensen voegden zich bij het ontvangscommitee. Het was kennelijk groot nieuws in het dorp dat de Nederlandse enclave het toch ging redden tot helemaal aan het eind. Onze kamer was al voor ons gereserveerd en het duurde dan ook niet lang voordat we onze bagage hadden gedropt en we ons snelden naar de eetzaal om een welverdiend biertje te drinken.

Na het avondeten (pizza! op 4130 meter!) Konden we weer net genoeg lachen om een paar mooie plaatjes te schieten bij een sprookjesachtige zonsondergang. En dan weet je weer waarom je het allemaal hebt gedaan.

Dag 8: ABC naar Sinuwa

Alle pijn en moeite die we hadden om boven te komen, leken de volgende dag totaal geen effect te hebben op onze fitheid. We renden als een stel bezetenen de berg af en haalden in één dag omlaag dezelfde afstand als in drie dagen omhoog. Nu kwamen onze lange benen toch effetjes goed van pas. Op een gegeven moment hielden zelfs de gidsen het niet meer bij!  

Het heerlijke van dit deel is, dat iedereen die je tegenkomt nog omhoog aan het gaan is. Dus iedere keer als er weer eens een clubje Nordic Walking Wacko’s ons voor de voeten dreigde te lopen, konden we ze vrolijk een goede dag wensen. Het groeten onderweg, is een soort van treiter spelletje, thans, zoals wij het speelden. Wanneer je namelijk te moe bent om je voeten op te tillen tijdens het lopen, dat je zo langzaam gaat dat mensen de veters kunnen strikken tijdens het lopen, terwijl je nog minstens drie uur stijl omhoog moet gaan, lijken de mensen die je tegenkomt altijd extra vrolijk en attent: NAMASTÉ! HOW ARE YOU?! Nienke nam vaak niet eens de moeite om te antwoorden en sjokte stijf door. Maar ook nu, waren de rollen omgedraaid, HAHAAHH! “Hallo, hoe gaat het, namasté, brrr koud hoor daarboven, oef, stijle klim ga je nog krijgen straks, sooow! Ik zou maar opschieten!” Enfin, geweldig genoten. Heerlijk!

Het nadeel van de terugweg was wel dat we onze bagage weer moesten oppikken in Chhomrong, dat betekende weer extra kilo’s op onze rug. 


Dag 9: Sinuwa naar Jhinu Danda

We maakten nog een stop bij een klein plaatsje waar warmwaterbronnen lagen en hebben een middagje heerlijk kunnen ontspannen in twee natuurlijke hot springs, dat was zeker de moeite waard.

Dag 10: Jhinu Danda naar Pitam Deurali

Nee, naar beneden is simpelweg niet zo spannend als naar boven, als je de ‘New Bridge’ oversteek niet meetelt tenminste. Want ergens bleken we nog een keer de rivier te moeten kruisen. En gelukkig dat het dorp ‘New Bridge’ heette, want ‘Old Bridge’ hadden we waarschijnlijk nooit durven oversteken. De bruggen bestaan hier namelijk ook allemaal uit touw en oude planken. Maar deze was wel extreem lang en hoog. Het duurde toch wel een hele minuut om er overheen te waggelen. En met een clubje schommelende Finse Nordic Walkers achter je aan maakte dat deze attractie, waar je op de kermis minstens ‘enne knaak’ voor zou moeten betalen, een extra ongewenste dimensie met zich mee kreeg.

Helaas maakten we op de een na laatste dag de fout door in het verkeerde dorp onze wandeling te beëindigen. We kregen te maken met de meest arrogante Nepalees die er in de bergen rond liep. In het dorp waren verder ook geen toeristen. Voor zo’n laatste avondje, gingen we toch opvallend vroeg het nest in. Meneer de Nepalese uitbater vond het nodig om ons nog vóór half negen ’s avonds te vertellen dat we moesten gaan slapen. Hij sloot de tent. Lichtelijke irritatie door zijn houding deed ons besluiten om ’s ochtends het ontbijt over te slaan en gauw door te lopen naar het volgende dorp. De zon was inmiddels goed aan het schijnen toen we daar aan kwamen en dat maakte dat we extra hard konden genieten van onze voorlopig laatste omelet op gefrituurd maïsbrood en chapati brood.

 Dag 11: Pitam Deurali naar Phedi (en Pokhara)

Op de laatste wandeldag was ons verlangen naar een douche, wasserette en een stevige maaltijd bij een Chinees restaurant zo sterk dat we nog voor de lunch het eind plaatsje bereikten. Het was even een schok om weer verkeer te horen en met toch een beetje pijn in het hart namen we afscheid van de bergen en het wandelen.

De wandeling op deze laatste dag bracht ons naar het plaatsje Phedi, alwaar een taxi voor ons klaar stond. Hoe ze dat hadden geregeld? Tja, sinds we terugliepen richting beschaving leken onze twee gidsen onderhand vergroeid met hun telefoons te zijn. We hebben ze werkelijk niets anders zien doen dan bellen met alle nummers in hun adressenboek, minstens twee keer! Waarschijnlijk zat daar wel een taxichauffeur tussen.

Als we in het hotel weer helemaal fris zijn, nemen we onze gids -samen met iemand+gids die we onderweg ontmoetten- mee uit eten op onze kosten. Een klein bedankje vonden we wel op z’n plek. Want al waren ze soms wat vreemd, ze werkten echt keihard voor hun geld. In één seizoen van ongeveer 6 maanden kregen ze als gids zo ongeveer tussen de € 500,- en € 1000,- bij elkaar. Het merendeel daarvan kwam van de fooi die toeristen ze gaven. Wij vonden het een fantastische ervaring om zo hoog in de bergen te zijn, dus we waren blij dat we ook iets aan hun inkomsten konden bijdragen.

Ik (Nick) wil inmiddels best al eens voorzichtig gaan kijken naar een volgende tocht, misschien volgend jaar. Ik weet alleen nog niet of ik dat aan Nienke durf te vertellen.